Praten met zonder vinger...

EllenEmondsEllen Emonds vertelt over pedagogische tact. Of: praten met zonder vinger.Een van de verhalen die zij vertelde, illustreert haarscherp wat zij bedoelt met pedagogische tact. 
Hier volgt het.


In het handelingsplan had ik het al gelezen: de vorige leerkracht van Yari had vreselijk veel moeite gehad met zijn gedrag. Hij verstoorde voor mijn collega en voor de kinderen de les, was uit op eigen behoeftebevrediging en met name in kringsituaties kon hij niet op zijn beurt wachten. Van vinger opsteken had hij blijkbaar nog nooit gehoord. Bovendien sleepte hij kinderen in zijn negatieve gedrag mee.
Voor haar gevoel had mijn collega er alles aan gedaan om zijn gedrag positief te beïnvloeden. Ze had hem apart genomen en liefdevol toegesproken, had hem gestraft, was hem gaan filmen, zodat hij bij het terugkijken kon aanwijzen wanneer hij het goed of fout deed. Dat lukte hem natuurlijk niet, dat kereltje van acht.
Toen is mijn collega met een streepjessysteem begonnen. Als Yari er in het kringgesprek doorheen sprak zonder zijn vinger op te steken, kreeg hij een streepje op het bord. Al snel kwam er een tweede streepje bij en bij een derde streepje moest hij op de gang. Dat is toch gek: als je in iets in de klas niet kan, moet je het in je eentje op de gang leren.
Yari zat dus vaak op de gang.
Toen hij bij mij in de klas kwam, nam ik me voor hem niet buiten te sluiten. Mijn collega wenste me oprecht succes toe, want ze is een fijne leerkracht, die het beste met haar leerlingen voor heeft.
Ik vertelde Yari dat ik het bijzonder fijn vond dat hij bij mij in de klas komt. Hij keek me wat wantrouwend aan. ‘Hoezo?’
‘Ik heb namelijk gehoord dat jij al kunt praten met zonder vinger.’
‘Wat bedoel je?’
‘Nou gewoon, praten met zonder vinger, net als iedereen. Ik ken echt niemand die eerst zijn vinger opsteekt en dan pas begint. Bij ons thuis doen ze dat niet, mijn vriendinnen doen het niet, mijn vriend ook niet. Wij beginnen gewoon te praten en soms zie ik aan iemands gezicht dat het niet uitkomt en dan stop ik. En soms denk ik: ach, ik stop niet, trouwens, want ik ben nog niet klaar. En zo tast ik dat wat af. En ik heb gelezen dat jij dat ook kan en dat jij dat goed vol kunt houden. En ik heb ook gelezen dat er negentien kinderen zijn in de groep die dat niet kunnen. Die mij nog nodig hebben. En hun vinger. Dat kan natuurlijk helemaal niet. Die moeten het nog leren: praten met zonder vinger.’
En ze zaten er alle negentien bij.
‘Jullie krijgen allemaal een handelingsplan en binnen zes weken kan hier iedereen praten met zonder vinger,’ zei ik. ‘Maar wees niet bang, want we hebben een expert die jullie kan helpen: Yari.
We gaan meteen beginnen.’
En de kinderen begonnen meteen en het werd een zootje.
Ze gingen door elkaar praten, hard en zacht, langzaam en snel. Sommige kinderen kropen stilletjes weg, kwamen dus nooit aan de beurt.
Ik legde het na vijf minuten stil en vroeg: ‘Hoe gaat het?’
Enkele kinderen waren het erover eens dat ze veel verteld hadden. Maar anderen waren niet aan de beurt gekomen. En er waren er die helemaal niets hadden durven te vertellen.
We besloten regels met elkaar af te spreken. ‘Probeer rekening te houden met elkaar. Kijk goed, wanneer je iets kunt zeggen. Luister mee. En let erop hoe Yari dat doet.’
We begonnen opnieuw. Het ging iets beter. Iets. Een meisje haakte compleet af. Dat was Mila. Ze moest zelfs een beetje huilen. ‘Niemand luistert naar mij,’ snikte ze. ‘Ik weet gewoon niet wanneer ik moet beginnen met praten.’
‘Dat weet ik wel,’ zei Yari. Hij ging naast haar zitten en gaf haar op gezette tijden een seintje. ‘Ja, nu!’
Het ging met vallen en opstaan. Maar Yari ging er naar verloop van tijd helemaal bij horen. Hij was nodig. In plaats dat hij de jongen was die steeds op de gang zat, werd hij de belangrijkste jongen van de klas. Met name tijdens het kringgesprek.
Ik had het al gezien: Yari leer je niet praten na het opsteken van een vinger. Toen ik zijn moeder had ontmoet, wist ik het zeker. Hij groeit namelijk samen met haar op. Het opsteken van een vinger was thuis helemaal niet aan de orde. Hij had veel te vertellen en zijn moeder nog veel meer. En natuurlijk snapt hij, wanneer hij stil moest zijn, maar het bleef moeilijk.
Wat doen wij in de klas met kinderen zoals Yari? We moeten elkaar eigenlijk beloven dat iedereen erbij hoort. Alle Yari’s die we op ons onderwijspad ontmoeten.

f1Ellen Emonds (1983), woont in Nijmegen en is sinds 2005 werkzaam in het basisonderwijs.
Na een jaar Journalistiek gestudeerd te hebben, is zij in 2001 begonnen aan de Pabo. Via haar zus (toen leerkracht op basisschool Uilenspiegel in Boekel) kwam ze terecht bij het Ervarings Gericht Onderwijs. In het onderwijs waar de procesvariabelen als ‘welbevinden en betrokkenheid’ het grootste goed zijn, voelde zij zich onmiddellijk thuis.
Na haar studie is zij gaan werken op OBS De Bonckert in Boxmeer, heeft zich het EGO concept eigen gemaakt en leerde haar intuïtief handelen verklaren met theorie. Ze heeft ontdekt dat het de relatie is die van betekenis is. Dat het de relatie is die verbondenheid creëert. Dat het de relatie is die mensen verder brengt.
Het mooiste aan haar werk vindt ze om kinderen zoveel mogelijk zichzelf te laten worden, in een setting waarin de ander dat ook kan. Ze kijkt iedere dag in de spiegel die kinderen haar voorhouden.
Twee jaar geleden heeft ze het traject Pedagogische Tact van het Nivoz doorlopen. Momenteel begeleidt ze als docent dit traject. Op school is ze vier dagen per week leerkracht van groep 6/7 en een dag per week werkt ze voor haar eigen bedrijf. Ze geeft cursussen en nascholing in opdracht van het Expertisecentrum E.G.O Nederland, ze begeleidt scholen en leerkrachten in het EGO concept, ze schrijft onderwijsgerelateerde artikelen en ze is redactielid van www.hetkind.org.

Meteen aan het begin van haar lezing gaf Ellen Emonds de volgende opdracht: iedere keer als je deze afbeelding ziet, moet je denken aan een kind dat je bezighoudt. Waarmee de interactie stroef loopt, een kind dat ergernissen oproept. Een kind van wie je denkt: die zou wel eens minstens drie kwartier van mijn aandacht mogen hebben.

vogels 700 H

Vervolgens verduidelijkte ze het mensbeeld van het Nivoz: ieder kind doet het voortdurend zo goed mogelijk. Als hij het beter zou kunnen, zou hij het beter doen. Ik ben ervan overtuigd dat alle kinderen naar school komen om een goede dag te hebben. Om plezier te maken met vriendjes en vriendinnetjes, met jou, met zichzelf.
Tegelijkertijd zie ik ook dat sommige kinderen het daar heel moeilijk mee hebben. En dat ze de boodschap ‘Ik doe het zo goed mogelijk’ op een andere manier naar jou communiceren. Dat jij denkt: dat vraag ik me af, dat jij goed je best doet. Als dit voor jou zo goed mogelijk is, dan heb ik daar wel een vraag over.

Hier volgen enkele stevige uitspraken van Ellen Emonds. Wil je aan een kind denken dat je bezighoudt?
Start!

En toch ben ik ervan overtuigd dat ieder kind het voortdurend zo goed mogelijk doet.

vogels4

Er zijn kinderen die niet passen binnen bestaande kaders, maar alle kinderen willen erbij horen. Dat is een psychologische basisbehoefte.

vogels4

Alle kinderen, zonder uitzondering, zijn volledig toegerust voor hun eigen ontwikkeling.

vogels4

Kinderen hebben waardengedreven opvoeders nodig.

vogels4

Niet gebonden met zichzelf -------- zichzelf beschadigen;
Niet gebonden raken met anderen ------- anderen beschadigen;
Niet gebonden met de wereld -------- de wereld beschadigen.

vogels4

Pedagogische tact: het goed doen, ook in de ogen van anderen.

vogels4

Dennis de schrik van de school
Ellen Emonds noemde enkele personen die haar geïnspireerd hebben:
Beate Letchert-Grabbe (1949) is een psychologe en pedagoge. Jarenlang was ze werkzaam in het funderend onderwijs. Zij is gepromoveerd op een onderzoek naar kansen en belemmeringen bij de samenwerking tussen leraren en ouders in het basisonderwijs.
Momenteel woont Beate Letschert-Grabbe voornamelijk in Nederland en werkt ze in Nederland en Duitsland als publiciste, verzorgt ze voordrachten en leidt ze supervisiegroepen.
Een van haar bekendste publicaties is Dennis, de schrik van de school.

Lastige, storende leerlingen zijn een probleem van alle leraren, in alle tijden. Voor de betreffende leerlingen is de situatie ook niet prettig. Veelal beschikken deze kinderen uitsluitend over negatieve middelen om aandacht te krijgen. Ze zijn eraan gewend om op ongewenst gedrag te worden aangesproken, om door middel van storend gedrag aan invloed te winnen en om bekritiseerd te worden. In elk geval krijgen ze op die manier aandacht.
In dit boek gaat het over twee dingen: de kansen voor storende en ontmoedigde leerlingen vergroten, én: het verlichten van de taak van de leraar door het gedrag van deze leerlingen om te buigen in coöperatief handelen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het veronderstelt een houding van leraren waarin ze het kind accepteren ondanks het gedrag dat het vertoont.

Janusz Korczak

Janusz Korczak (1878-1942) was een Pools-Joodse kinderarts. Hij is over de hele wereld bekend als pedagoog, kinderboekenschrijver, en directeur van een weeshuis. Hij werd op 5 of 6 augustus 1942 met de 200 kinderen uit het weeshuis weggevoerd naar het vernietigingskamp Treblinka en met alle kinderen en begeleiders vermoord.

Pedagogische lessen van Janusz Korczak: leer eerst jezelf kennen, voordat je kinderen wilt leren kennen. Kijk eerst wat je zelf kunt, voordat je begint de rechten en plichten van kinderen af te bakenen. Je bent zelf het kind onder al die kinderen dat je vóór alles moet leren kennen, opvoeden en opleiden. Het is een van de meest kwalijke fouten te denken dat pedagogie een wetenschap is die het kind betreft en niet de mens. 
De opvoeder heeft niet de plicht de verantwoording voor een verre toekomst op zich te nemen, maar hij is wel volledig verantwoordelijk voor de huidige dag.

< Peter Vervloed >